De nieuwe geest en de dichters (L’Esprit nouveau et les poètes)

Deze tekst wordt wel het literaire testament van Apollinaire genoemd, wat nogal overdreven is, maar in ‘L’Esprit nouveau et les poètes’ vat hij verschillende ideeën over de dichtkunst samen. Het is een lezing die hij zou houden onder de kortere titel ‘L’Esprit nouveau’ tijdens en literair theaterprogramma op 26 november 2017. Hij moest wegens lichamelijk ongemak verstek laten gaan en de tekst werd voorgelezen door een acteur en vervolgens gepubliceerd in Mercure de France.

De nieuwe geest en de dichters

Guillaume Apollinaire | vertaling: Wouter van der Land

beeld: Bibliothèque littéraire Jacques Doucet

Dames en heren,
De nieuwe geest die de hele wereld zal domineren, heeft zich in de poëzie nergens zo geopenbaard als in Frankrijk. De sterke intellectuele discipline die de Fransen altijd is opgelegd, maakt voor hen en hun geestesverwanten een opvatting van het leven, de kunsten en de literatuur mogelijk die niet zomaar een heropvoering van de klassieke oudheid is, en ook geen pendant van een mooi romantisch landschap.
 De nieuwe geest die zich aandient, streeft als erfgenaam van de klassieken naar een fundamentele goede smaak, een zelfverzekerde kritische geest, een overzicht van het universum en de menselijke ziel en een plichtsbesef dat de menselijke gevoelens blootlegt en de uitingen ervan begrenst of eerder nog in toom houdt.
 Als erfgenaam van de romantiek streeft de geest naar een nieuwsgierigheid die hem ertoe zet alle gebieden te onderzoeken die literair materiaal kunnen verschaffen, om het leven te bezingen in welke vorm het zich ook manifesteert.
 Het verkennen van de waarheid en haar zowel zoeken in het ethnische domein als in dat van de verbeelding zijn de voornaamste karaktertrekken van die nieuwe geest.
 Dit streven had overigens altijd al zijn dappere vertegenwoordigers, ook al waren ze zich er niet van bewust; het is lang geleden ontstaan en in beweging gekomen.
 Niettemin is dit de eerste maal dat het zich met zelfbewustzijn presenteert. Tot nu toe waren de grenzen van het literaire domein streng omschreven. Men schreef proza of men schreef poëzie. Voor proza bepaalden grammaticale regels de vorm. In de poëzie vormden rijmende verzen de enige wet, die af en toe, maar zonder succes werd aangevallen.
 Vrije verzen gaven de lyrische dichtkunst een nieuwe vlucht; maar dit was nog maar een eerste stap in de mogelijke verkenningen van de poëtische vorm. Onderzoek naar de vorm is tegenwoordig van groot belang geworden. Dat spreekt vanzelf: hoe zou een dichter niet geïnteresseerd kunnen zijn in onderzoek dat kan leiden tot nieuwe ontdekkingen in de ideevorming en de lyriek.
 Assonantie en alliteratie zijn net als rijm conventies, die elk hun verdiensten hebben. Gedurfde typografische kunstgrepen hebben de grenzen verlegd naar een visuele lyriek die voor onze tijd vrijwel ongekend was. Die kunstgrepen kunnen nog veel verder gaan en de synthese bewerkstelligen van de kunsten; van de muziek, de schilderkunst en de literatuur.
 Dit is maar één onderzoeksmethode om te komen tot volstrekt legitieme uitdrukkingsvormen.
 Wie zou durven beweren dat retorische excercities, de variaties op het thema ‘Ik sterf van de dorst nabij de bron’, geen beslissende invloed hebben uitgeoefend op het genie van Villon? Wie zou durven beweren dat de vormstudies door de retorici en de marotische school niet hebben gediend om de Franse smaak te zuiveren om te komen tot zijn volmaakte bloei in de zeventiende eeuw?
 Wat zou het vreemd zijn dat in een tijd waarin de meest populaire kunstvorm de film is –die in feite een prentenboek is– de dichters niet zouden hebben geprobeerd om beelden te componeren voor de meditatieve en meer verfijnde geesten voor wie de platte beelden van de filmmakers onbevredigend zijn. Deze zullen zich verder verfijnen en het valt te voorspellen dat op de dag dat de fonograaf en de bioscoop als uitdrukkingsvorm het alleenrecht krijgen, dat dichters een ongekende vrijheid zullen genieten.
 Het hoeft geen verbazing te wekken dat ze zich met de middelen die ze nu al ter beschikking hebben voorbereiden op deze nieuwe kunst (groter dan eenvoudige woordkunst) waar ze als dirgent van een groots en fantastisch orkest kunnen beschikken over de gehele wereld, haar geruchten en verschijningen, het denken en de menselijke taal, de zang, de dans, alle kunsten en alle kunstgrepen, meer luchtspiegelingen dan Morgana op de berg Gibel zou kunnen voortbrengen om het boek voor het oog en oor van de toekomst te componeren.

beeld: via Yale University Library (Beinecke)

 Maar over het algemeen zult u die ‘woorden in vrijheid’ niet aantreffen, die werden bereikt door de grensverleggende Italiaanse en Russische futuristen, die buitengewone kinderen van de nieuwe geest, omdat Frankrijk walgt van wanorde. Het land bevraagt gemakkelijk grondslagen, maar heeft een afkeer van chaos.
 We mogen dus hopen op een vrijheid van een onvoorstelbare weelde in materaal en middelen voor de kunst. De dichters van vandaag doorlopen de leerschool van deze encyclopedische vrijheid. Voor hun inspiratie is hun vrijheid even groot als die van een dagblad, die op één pagina de meest uiteenlopende onderwerpen behandelt en de de meest afgelegen landen. Waarom zou een dichter niet over een op zijn minst gelijke vrijheid beschikken en zou hij in deze tijd van de telefoon, draadloze telegrafie en luchtvaart een grotere terughoudendheid moeten betrachten in het benutten van de ruimte?!
 De snelheid en eenvoud waarmee de menselijke geest eraan gewend is geraakt om met één woord wezens aan te duiden die zo complex zijn als een menigte, een natie, het universum, hebben niet hun moderne tegenhangers in de dichtkunst. Dichters vullen deze leemte en hun synthetische gedichten scheppen nieuwe bestaansvormen met een plastische waarde die vergelijkbaar is met die van collectieve begrippen.
 De mensheid is vertrouwd geraakt met die formidabele wezens die machines zijn; zij heeft het domein van het oneindig kleine verkend en door de activiteit van haar verbeelding verschijnen nieuwe domeinen: die van het oneindig grote en dat van de profetie.
 Denk echter niet dat deze nieuwe geest ingewikkeld, langdradig, gekunsteld en steriel is. De dichter volgt juist de natuurlijke orde en heeft zich bevrijd van alle hoogdravende woorden. Het wagnerisme is uit ons verdwenen en jonge schrijvers hebben de sleetse tovergewaden van Duitsland en Wagner ver van zich afgeworpen, evenals het rustieke klatergoud uit de erfenis van Jean-Jacques Rousseau.
 Ik denk niet dat de sociale ontwikkelingen ooit zo ver zullen gaan dat we niet meer van een nationale literatuur kunnen spreken. Integendeel, hoever de weg van de vrijheid ook bewandeld wordt, de ontwikkelingen zullen de meeste oude disciplines alleen maar versterken en er zullen nieuwe opkomen die net zo veeleisend zullen zijn als de oude. Daarom denk ik dat, wat er ook gebeurt, de kunst meer en meer aan een land toebehoren. Bovendien zijn dichters altijd de uitdrukking van een omgeving, van een natie, en kunstenaars vormen net als de dichters, net als de filosofen een sociaal kapitaal dat zonder twijfel aan de mensheid toebehoort, maar dan wel als uitdrukking van een ras, van een bepaalde leefomgeving.
 Kunst zal pas ophouden nationaal te zijn op de dag dat de hele wereld in hetzelfde klimaat en volgens het zelfde model gebouwde woningen leeft, en dezelfde taal met hetzelfde accent spreekt, dat wil zeggen: nooit. Uit verschillen tussen volkeren en landen stamt de variëteit aan literaire uitdrukkingsvormen en juist die veelzijdigheid verdient bescherming.
 Een kosmopolitische lyrische expressie zou alleen vage werken zonder accent en zonder ruggegraat opleveren, met de waarde van de gemeenplaatsen van de internationale parlementaire retoriek. En merk op dat de cinema, de kosmopolitische kunst bij uitstek, overduidelijke verschillen tussen volkeren laat zien. Regelmatige bioscoopgangers zien onmiddellijk het verschil tussen een Amerikaanse en een Italiaanse film. Vergelijkbaar is de nieuwe geest, die de ambitie heeft om zijn stempel te drukken op de universele geest en die niet van plan is om zijn activiteiten in enig opzicht te beperken, niettemin en met respect een specifieke lyrische uitdrukking van Frankrijk, net zoals de klassieke geest par excellence een sublieme uitdrukking van dezelfde natie is.
 Laten we niet vergeten dat het misschien wel gevaarlijker voor een natie is om zich intellectueel te laten veroveren dan met wapens. Daarom eist de nieuwe geest voor alles orde en plicht, de grote klassieke waarden waarmee de Franse geest zich in hoogste mate manifesteert, en hij voegt er vrijheid aan toe. Die vrijheid en orde die zich in de nieuwe geest verenigen, vormen diens wezen en kracht.

beeld: Bibliothèque littéraire Jacques Doucet

 Niettemin mag deze synthese van de kunsten, die zich in onze tijd heeft voltrokken, niet degenereren tot verwarring. Dat wil zeggen: als het niet gevaarlijk zou zijn, is het op zijn minst absurd om bijvoorbeeld de poëzie te reduceren tot een soort klanknabootsing die niet het excuus van exactheid zou hebben.
 Het is gemakkelijk voor te stellen dat klanknabootsing een rol zou kunnen spelen, maar dit kan alleen de basis zijn van een kunst waarbij machines betrokken zijn. Een gedicht of een symfonie die op een fonograaf is gecomponeerd zou heel goed kunnen bestaan uit artistiek gekozen klanken die lyrisch vermengd of naast elkaar geplaatst zijn, terwijl ik van mijn kant niet kan zien hoe een gedicht simpelweg zou kunnen bestaan uit de imitatie van een geluid waaraan geen enkele lyrische, tragische of gevoelsmatige betekenis kan worden verbonden. En voor zover sommige dichters zich met dit spel bezighouden, moet moet het gezien worden als een oefening, een soort aantekeningen die ze zullen invoegen in een werk. Het ‘brekekekex koax‘ uit de Kikkers van Aristophanes is niets als we het scheiden van het stuk waarin het al zijn komische en satirische betekenis krijgt. De over een hele regel doorgezette iii’s van Francis Jammes’ vogel geven een povere harmonie wanneer we ze losmaken van het gedicht waarvan ze de gehele fantasie verduidelijken.

beeld: Francis Jammes, Le poète et l’oiseau, Oeuvres de Francis Jammes I, Archive.org

 Wanneer een moderne dichter het geronk van een vliegtuig met verschillende stemmen weergeeft, moeten we dit vooral zien als de wens van de dichter om zijn geest aan de werkelijkheid te gewennen. Zijn passie voor de waarheid zet hem ertoe aan om bijna wetenschappelijke noties te maken die –wanneer hij ze als gedichten wil presenteren– de fout hebben om zo te zeggen trompe-oreilles te zijn, waaraan de werkelijkheid altijd superieur zal zijn.
 Wanneer hij daarentegen bijvoorbeeld de danskunst wil versterken en een choreografie wil beproeven waarbij de komediespelers zich niet zouden beperken tot luchtsprongen, maar bovendien kreten zouden slaken die bestaan uit een opvallende klanknabootsing, dan is dat een onderzoek waar niets absurds aan is, want populaire voorbeelden ervan zijn te vinden bij alle volkeren, waar krijgsdansen bijvoorbeeld bijna altijd worden verfraaid met wilde kreten.
 Om terug te keren naar de zorg voor de waarheid en de waarschijnlijkheid die elk onderzoek, alle experimenten en alle pogingen van de nieuwe geest beheersen, moeten we hieraan toevoegen dat we niet verbaasd hoeven te staan wanneer een aantal en zelfs vele van hen tijdelijk onvruchtbaar bleven en zelfs afgleden naar het belachelijke. De nieuwe geest is vol gevaren, vol met valstrikken.
 Dit alles hoort evenwel bij de geest van vandaag en het compleet veroordelen van deze pogingen, deze proeven, zou een soort fout zijn zoals die terecht of onterecht wordt toegeschreven aan Adolphe Thiers, die zou hebben verklaard dat spoorwegen alleen maar een wetenschappelijk spelletje waren en de wereld niet genoeg staal zou kunnen voortbrengen om rails tussen Parijs aan te leggen.
 De nieuwe geest erkent dus zelfs gewaagde literaire ervaringen toe, en die ervaringen zijn soms weinig lyrisch. Dat is de reden dat de lyriek slechts een onderdeel van de nieuwe geest in de hedendaagse poëzie, die zich vaak tevreden stelt met onderzoek en nasporingen zonder ernaar te streven om ze lyrische betekenis te geven. Dit zijn de materialen die de dichter verzamelt, die de nieuwe geest verzamelt, en die materialen zullen een kern van waarheid vormen waarvan de eenvoud en de bescheidenheid ons niet moeten ontmoedigen, want de uitwerkingen, de resultaten, kunnen groot, zeer groot blijken.
 Zij die in de toekomst de literatuurgeschiedenis van onze tijd zullen bestuderen, zullen zich erover verbazen dat –vergelijkbaar met alchemisten– dromers en dichters zich zelfs zonder het vooorwendsel van een steen der wijzen hebben kunnen toewijden tot onderzoekingen en het maken van aantekeningen die hen tot het mikpunt van spot maakten van hun tijdgenoten, journalisten en snobs.
 Maar hun onderzoekingen zullen hun nut hebben; ze zullen de basis vormen van een nieuw realisme, die mogelijk niet onder zal doen voor dat van het zo poëtische en zo wijze van het oude Griekenland.
 We hebben ook gezien dat sinds Alfred Jarry het lachen zich verhief uit de lage regionen waar het kronkelde, en de dichter een nieuwe lyriek verschafte. Waar is de tijd gebleven dat de zakdoek van Desdemona ontoelaatbaar bespottelijk leek? Vandaag wordt spotternij zelfs nagestreefd, men probeert haar te beheersen en ze heeft haar plek in de poëzie, want ze maakt deel uit van het leven net als heldendaden en alles wat vroeger het enthousiasme van de dichters voedde.
 De romantici hebben geprobeerd om zaken met een grove verschijning een verschrikkelijke of tragische betekenis te geven. Beter gezegd, werkten ze alleen maar ten behoeve van het verschrikkelijke. Ze hebben net zo willen wennen aan de verschrikking als aan de melancholie. De nieuwe geest streeft er niet naar om het ridicule te veranderen, ze reserveert er een rol voor die niet zonder smaak is. Evenmin wil de geest aan het verschrikkelijke een nobele betekenis toekennen. Hij laat het verschrikkelijk blijven en brengt het edele niet omlaag. Het is geen decoratieve kunst en ook geen impressionisme. Het is een en al studie van het uiterlijk en innerlijk, het is een en al hartstocht voor de waarheid.
 Zelfs als het waar is dat er niets nieuws onder de zon is, stemt hij er niet mee in om niet alles wat niet nieuw onder de zon is uit te diepen. Het gezond verstand is zijn gids en deze gids leidt hem naar plekken die misschien niet nieuw maar tenminste onbekend zijn.
 Maar is er niets nieuws onder de zon? Dat valt te bezien.
 Wat! Van mijn hoofd is een röntgenfoto gemaakt. Ik heb levend en wel mijn eigen schedel gezien en dat zou in geen enkel opzicht iets nieuws zijn? Maak dat de anderen wijs!
 Salomo sprak zonder twijfel voor de koningin van Scheba en hij hield zo van iets nieuws dat hij er ontelbare vrouwen op nahield.
 De lucht wordt bevolkt door vreemde, menselijke vogels. Machines, dochters van de mens, maar zonder moeder, leven een leven zonder emoties en gevoelens en dat zou niet nieuw zijn!
Wetenschappers onderzoeken onophoudelijk nieuwe universums die zich op elk kruispunt van de materie blootgeven, en er zou niet nieuws onder de zon zijn. Voor de zon, misschien. Maar voor de mensen!
 Er zijn duizend natuurlijke combinaties die nog nooit samengesteld zijn. De geleerden maken zich hier een voorstelling van voor en voeren ze uit, waarmee ze componeren met de natuur, die hoogste kunst die het leven is. Deze nieuwe combinaties, die nieuwe kunstwerken van het leven, is wat we vooruitgang noemen. In die zin bestaat ze. Maar als men ze laat ontstaan in een eeuwige wording, in een soort messianisme, even verschrikkelijk als de mythen van Tantalus, Sisyphus en de Danaïden, dan heeft Salomo een punt tegen de profeten van Israël.
 Maar het nieuwe bestaat werkelijk, zonder een vooruitgang te zijn. Het zit helemaal in het verrassingeffect. De nieuwe geest bestaat eveneens in de verrassing. Dat is wat het meest in hem leeft, het nieuwste. De verrassing is de grootse nieuwe kracht. Het is door de verrassing, de belangrijke positie die hij de verrassing heeft gegeven, dat de nieuwe geest zich onderscheidt van alle artistieke en literaire bewegingen die hem zijn voorgegaan.
 Hierin maakt hij zich los van alles en behoort ze alleen onze tijd toe.
 We hebben de nieuwe geest een fundament gegeven van gezond verstand en ervaring, die ons ertoe hebben gebracht geen zaken of gevoelens te accepteren behalve volgens de waarheid, en het is overeenkomstig de waarheid dat we hem toelaten en er niet naar streven om subliem te maken wat van nature bespottelijk is, of andersom. En uit deze waarheden volgt vaak de verrassing, omdat ze tegen de gangbare opvattingen indruisen. Veel van deze waarheden werden niet onderzocht. Het is voldoende om deze te ontsluieren om een verrassingseffect te veroorzaken.
 Het is ook mogelijk om een veronderstelde waarheid uit drukken met een verrassingseffect tot gevolg, omdat niemand het nog heeft aangedurfd haar te presenteren. Maar een veronderstelde waarheid is niet strijdig met het gezond verstand; anders zou het geen waarheid meer zijn, zelfs geen veronderstelde. Wanneer ik me zou voorstellen dat vrouwen geen kinderen voortbrengen en dat mannen dat zouden kunnen en ik zou dit beschrijven, dan zou ik een literaire waarheid uitdrukken die alleen buiten de literatuur als verzinsel gekwalificeerd zal kunnen worden, en ik bewerkstellig een verrassingseffect. Maar mijn veronderstelde waarheid is niet meer buitengewoon, niet minder onwaarschijnlijk dan die van de Grieken, die beschreven hoe Minerva in wapenuitrusting uit het hoofd van Jupiter kwam.
 Toen de vliegtuigen de lucht nog niet bevolkten, was de mythe van Icarus slechts een veronderstelde waarheid. Vandaag is het slechts een mythe. En onze uitvinders hebben ons gewend laten raken aan grotere wonderen dan het aan mannen overdragen van de vrouwelijke functie om kinderen te krijgen. Ik zal nog meer zeggen: nu de mythen voor het merendeel realiteit zijn geworden, is het aan de dichter om zich nieuwe dingen voor te stellen die de uitvinders op hun beurt kunnen realiseren.
 De nieuwe geest eist dat we deze profetische taken op ons nemen. Daarom zult u in het merendeel van de werken die volgens de nieuwe geest zijn uitgedacht sporen vinden van profetie. Het goddelijke spel van het leven en de verbeelding schept ruimte voor een geheel nieuwe dichterlijke praktijk.
 Poëzie en schepping zijn een en hetzelfde; de naam dichter is alleen van toepassing op mensen die uitvinden, die scheppen, in de maat dat de mens in staat is om te scheppen. De dichter is iemand die nieuwe bronnen van vreugde ontdekt, hoe pijnlijk ze ook kunnen zijn. Iemand kan een dichter zijn in elk domein: een avontuurlijke geest en een zucht naar ontdekkingen zijn de enige voorwaarden.
Omdat het rijkste, minst bekende en oneindig uitgestrekte domein de verbeelding is, wekt het geen verbazing dat de titel van dichter in het bijzonder gereserveerd voor hen die op zoek gingen naar nieuwe bronnen van vreugde, die de weg uitzetten in de enorme ruimten van de verbeelding.
 Het minst belangrijke feit voor de dichter is het postulaat, het vertrekpunt van onbekende onmeetbaarheid waar de vreugdevuren van verscheidende betekenissen branden.
 Om ontdekkingen te doen, is het niet nodig om een uitgangspunt te kiezen dat door regels bevestigd, of zelfs gedicteerd door de smaak, te boek staat als subliem. Een alledaagse gebeurtenis volstaat als begin: een vallende zakdoek kan voor de dichter het de hefboom zijn om het hele universum mee op te tillen. We weten wat de val van een appel, opgemerkt door Newton, betekende voor deze geleerde, die we een dichter kunnen noemen. Daarom kijkt geen enkele dichter van vandaag neer op bewegingen in de natuur en zijn geest zoekt zijn ontdekkingen evengoed in de meest uitgebreide en ontastbare syntheses: menigten, ruimtenevels, oceanen en naties, als in de schijnbaar meest simpele gebeurtenissen: een hand die een zak doorzoekt, een lucifer die door wrijving ontbrandt, kreten van dieren, de geur van tuinen in de regen, een vlam die in de haard wordt geboren. De dichters zijn niet alleen mensen van het schone. Ze zijn daarnaast en boven alles mensen van het ware, voor zover het mogelijk is om tot het onbekende door te dringen, waarmee de verrassing, het onverwachte, een van de belangrijkste bronnen van de hedendaagse dichtkunst is. En wie zou durven beweren dat –voor hen die waardig zijn voor vreugde– wat nieuw is niet mooi zou zijn? De anderen zullen zich snel inspannen om deze sublieme vernieuwing in diskrediet te brengen, waarna zij het domein van de reden kan betreden, maar alleen binnen de grenzen die de dichter, de enige verstrekker van het schone en het ware, heeft vastgesteld.
 De dichter raakt juist door de aard van zijn verkenningen geïsoleerd in die nieuwe wereld die hij als eerste binnentreedt, en zijn enige troost is dat, waar mensen uiteindelijk leven van waarheden, ondanks de leugens waarmee ze deze bekleden, de dichter als enige het leven voedt waar de mensheid die waarheid vindt. Daarom zijn de moderne dichters voor alles dichters van een steeds weer nieuwe waarheid. En hun taak is oneindig; ze hebben u verrast en zullen u nog meer verrassen. Ze maken zich nu al voorstellingen van plannen met meer diepgang dan zij die machiavellistisch het nuttige en verschrikkelijke symbool van het geld hebben voortgebracht.
 Degenen die de mythe van Icarus hebben bedacht, in onze tijd zo wonderbaarlijk waargemaakt, zullen anderen bedenken. Ze zullen u levendig en wakker meevoeren in de door dromen afgesloten nachtelijke wereld. In de werelden die onuitsprekelijk op onze hoofden bonzen. In die werelden die naderbij en verder weg om hetzelfde oneindige punt graviteren dat we in ons dragen. En meer wonderen dan degene die geboren zijn sinds de geboorte van de oudsten onder ons, zullen de uitvindingen van deze tijd, waar we zo trots op zijn, doen verbleken en kinderachtig doen lijken.
 Tenslotte zullen de dichters worden belast om met de lyrische teleologieën en de oerlyrische alchemieën een steeds zuiverdere betekenis te geven aan de goddelijke idee, die zo levendig en zo waar in ons bestaat, die de eeuwige vernieuwing van onszelf is, die eeuwige schepping, die onophoudelijk hernieuwende poëzie waarvan wij leven.
 Voor zover we kunnen weten, zijn er vandaag nauwelijks dichters dan in het Frans.
 Alle andere talen lijken te zwijgen, zodat de wereld beter naar de stem van de nieuwe Franse dichters kan luisteren.
 De hele wereld kijkt naar dit licht, dat in zijn eentje de nacht doet opklaren.
 Hier echter kunnen die stemmen die zich verheffen zich maar met moeite hoorbaar maken.
 De moderne dichters zijn dus scheppers, uitvinders en profeten; ze vragen om wat ze zeggen te onderzoeken voor het grote goed van de gemeenschap waartoe ze behoren. Ze richten zich tot Plato en smeken hem, als hij ze uit de Republiek zou willen verbannen, om op zijn minst eerst naar hen te luisteren.
 Frankrijk, beschermvrouw van het gehele geheim van de beschaving –een geheim dat alleen een geheim is vanwege de onvolmaaktheid van hen die zich inspannen om het te doorgronden– is daardoor voor het grootste deel van de wereld een seminarie van dichters en kunstenaars, die elke dag het erfgoed van hun beschaving uitbreiden.
 En, door de waarheid en door de vreugde die ze verspreiden, maken ze deze beschaving, wanneer ze niet al opgenomen kan worden in iedere beschaving, op zijn minst buitengewoon aangenaam voor iedereen.
 De Fransen brengen de poëzie naar alle volkeren.
 Naar Italië, waar het voorbeeld van de Franse poëzie een impuls heeft gegeven aan een jonge nationale school die uiterst gedurfd en patriottistisch is.
 Naar Engeland, waarvan de lyriek verwaterd en daarmee uitgeput was.
 Naar Spanje en vooral in Catalonië, waar een complete jonge generatie, die al schilders heeft voortgebracht die de twee landen tot eer strekken, met aandacht de werken van onze dichters volgen.
 Naar Rusland, waar het navolgen van de Franse lyriek nu en dan geresulteerd heeft in een nog grotere inspanning, wat niemand verbaast.
 Naar Latijns Amerika, waar de jonge dichters met passie hun Franse voorlopers becommentariëren.
 Naar Noord-Amerika, waar, met erkenning van Edgar Allan Poe en Walt Whitman, Franse missionarissen tijdens de oorlog het vruchtbare element met zich mee dragen dat voorbestemd is om een nieuwe productie voort te brengen, waarvan we nog geen idee hebben, maar die zonder twijfel niet onder zal doen voor deze grote pioniers van de poëzie.
 Frankrijk is vol van scholen waar de lyriek wordt beschermd en doorgegeven, groepen waar durf wordt aangeleerd; toch dient een opmerking zich aan: poëzie moet zich in de eerste plaats inzetten voor het volk in de taal waar deze zich van bedient.
 Voordat ze zich in heroïsche avonturen van verafgelegen bekeringsmissies storten, moeten de poëtische scholen aan het werk gaan, veilig stellen, verduidelijken, vergroten, ondersterfelijk maken en de grootsheid van het land dat hun geboorte heeft geschonken bezingen, het land dat hen gevoed en hen gevormd heeft met, om het zo te zeggen, wat het meest gezond, wat het meest zuiver en wat het beste in hun bloed en wezen is.
 Heeft de Franse moderne poëzie alles voor Frankrijk gedaan wat zij zou kunnen doen?
 Is zij op zijn minst altijd even actief, even daadkrachtig geweest in Frankrijk als dat ze elders is geweest?
 De hedendaagse literaire geschiedschrijving volstaat om deze vragen op te werpen en om ze te beantwoorden, zouden we een inschatting moeten maken van alle nationale en vruchtbare elementen die de nieuwe geest in zich draagt.
 De nieuwe geest is in de eerste plaats de vijand van het estheticisme, van formules en van elk snobisme. Hij strijdt niet tegen welke school dan ook, want hij wil geen school zijn, maar een van de grote stromingen van de literatuur die alle scholen omvat, sinds het symbolisme en het naturalisme. Hij strijdt voor het herstel van de geest van het initiatief, voor een helder begrip van zijn tijd en voor het openen van nieuwe blikvelden op de buiten- en binnenwerelden, die niet minderwaardig zijn aan degene die geleerden van alle categorieën dagelijks ontdekken en waaraan ze wonderen onttrekken.
 De wonderen leggen ons de plicht op om de verbeelding en de subtiliteit van de poëzie niet achter te laten blijven op die van handwerkslieden die een machine verbeteren. Nu al verschilt de taal van de wetenschap diepgaand met die van de dichters. Dat is een onverdraaglijke toestand. Wiskundigen hebben het recht om te zeggen dat hun dromen, hun preoccupaties vaak torenhoog uitsteken boven de kruipende fantasieën van de dichters. Het staat de dichters vrij om te besluiten om niet resoluut voor de nieuwe geest te kiezen, waarbuiten slechts drie deuren open blijven: die van de pastiches, die van de satire en die van de klaagzang, zo subtiel als ze is.
 Kan men de poëzie dwingen om zich af te zonderen van wat haar omringt, om de schitterende overvloed van leven te miskennen die mensen met hun activiteit toevoegen aan de natuur en die hen in staat stelt om de wereld op de meest ongelooflijke manier te mechaniseren?
 De nieuwe geest is die van de tijd zelf waarin we leven. Een tijd die rijk is aan verrassingen. De dichters willen de profetie onderwerpen, die vurige merrie die nog nooit bedwongen werd.
Uiteindelijk willen ze de poëzie mechaniseren zoals ze de wereld hebben gemechaniseerd. Ze willen de eerste zijn om een geheel nieuwe lyriek te ontwikkelen met die nieuwe uitdrukkingsmiddelen die aan de kunst beweging toevoegen, namelijk de fonograaf en de cinema. Ze zijn nog slechts in de periode van de wiegendrukken. Maar let op, de wonderen zullen voor zichzelf spreken en de nieuwe geest, die de wereld doet opzwellen van leven, openbaart zich op geweldige wijze in de letteren, in de kunsten en in alles wat we kennen.

Advertenties